Situatiebeschrijving
In veel psychiatrische instellingen ligt de nadruk op het beheersen van crises. Het gevaar daarbij is dat de mens die zich in een crisis bevindt, buiten beschouwing raakt. Maar ook de individuele inbreng van de medewerk(st)er wordt daarbij beperkt tot de manier waarop de begeleid(st)er de geldende protocollen uitvoert. Voor de cliënt betekent de gangbare aanpak vaak dat de problemen waarin hij zich bevindt eerder groter dan kleiner worden. In de psychose lukt het hem nauwelijks meer contact met de ‘officieel geldende werkelijkheid’ te onderhouden.
De overweldigende innerlijke ervaringen én de uiterlijke waarnemingen die door de cliënt op een zo geheel eigen wijze worden geïnterpreteerd, vormen samen zijn eigen werkelijkheid. De confrontatie met deze werkelijkheid is een beangstigende aangelegenheid. Niets is wat het lijkt te zijn, er bestaan geen vaste vormen en structuren meer die houvast kunnen bieden. Alles is beweging, verandering, chaos.
In deze tumultueuze opeenvolging van ervaringen verliest de cliënt steeds meer het besef dat hij een eigen persoonlijkheid heeft. Het laatste wat hij in deze situatie nodig heeft, is een strak stelsel van protocollen en gedragsregels die hem net zo vreemd zijn als de chaos waarin hij zich bevindt. De angst neemt er door toe; het laatste houvast kan verdwijnen. De cliënt wordt dan een ongeleid projectiel dat alleen nog via het gedwongen toedienen van psychofarmaca in bedwang gehouden kan worden.
De crisis en de uitingen ervan worden hanteerbaar gemaakt. Het beeld van de cliënt als persoon is daarmee echter geheel uit het zicht verdwenen. Ook voor vele medewerkers betekent de gangbare praktijk van omgaan met mensen in een psychische crisis dat zij het zicht op zichzelf als individu kwijtraken. Doordat het hanteerbaar maken van de crisis zo op de voorgrond is geplaatst, is er nauwelijks gelegenheid meer voor werkelijk contact met de cliënt.
De huidige regelgeving versterkt deze trend: elke handeling dient uitgebreid beschreven en verantwoord te worden om de geldstromen voor de zorg zeker te stellen. In deze verantwoording wordt niet de cliënt als persoon beschreven, maar slechts de functies waarvoor vanuit de afgegeven indicatie zorg verleend mag worden. Hoewel de medewerker in de ggz bij voortduring door mensen is omgeven, moet hij zich beperken tot afspraken die niets met de dagelijkse en concrete contacten te maken hebben. Daarmee bevindt hij zich zelf in een situatie die kenmerken van een psychose vertoont. De ontmoeting van cliënt en begeleider is dan verworden tot een botsing van twee werelden die niets meer met elkaar gemeen hebben.